| |
Tour de Crooswijk
(Gepubliceerd in een geredigeerde versie in De Kroniek nummer 176 van Het Historisch Genootschap Roterodamum)
Leest u liever van papier, open dan het PDF-document en print het uit.
Zaterdag 3 juli begint de Tour de France in Rotterdam, Le Grand Depart Rotterdam 2010. De wielrenners starten dan met de proloog om te kijken wie de volgende dag in het geel richting Frankrijk mag rijden. Ach, het wielrennen van nu is niet meer wat het geweest is. De renners van tegenwoordig zijn watjes. Ze rijden rond op vederlichte fietsen met een oortje in en een karavaan auto’s achter hen aan, zodat ze de weg niet kwijtraken. Als ze een schaafwondje hebben door een valpartij, stappen ze af. En onderwijl zich maar volpompen met EPO. Terwijl de locale overheid in Rotterdam de ene na de andere coffeeshop sluit, spuiten en slikken ze zich in de Tour de France helemaal het leplazarus. Daar hoor ik Ahmed Aboutaleb niet over.
Nee, het wielrennen van nu is niets vergeleken met het wielrennen van vroeger. Ik kan me nog goed herinneren dat bij ons in Crooswijk wielerrondes werden gehouden. Ik woonde in de Couwaelstraat, de laatste zijstraat van de Paradijslaan. Dat was nog in de tijd dat de buren elkaar kenden en groetten en ik een pannetje soep naar buurvrouw Jopie bracht, omdat m’n moeder teveel had klaargemaakt. Het was het jaar 1978, het jaar dat Nederland van Argentinië verloor in de finale WK voetbal, het jaar dat Jan Raas voor de tweede keer de Amstel Gold Race won, het jaar van de dertigste Ronde van Crooswijk. Er was sprake van een sterk deelnemersveld met mannen van staal en namen als Jos Kieftenburg, Harry de Boer, Piet Franken, Pim Bosch en Aad Kraan.
Op de hoek van de Paradijslaan stond ik met een sinassplit te wachten op het peloton. Het ijsje had ik zojuist gekocht bij snackbar Van Wissen die concurreerde met patatzaak Janus, de vrek. Nou ja concurreerde, van een echte competitie was geen sprake. Van Wissen had de lekkerste patat, Janus verkocht geen patat maar kruimels. Tot mijn vreugde zit snackbar Van Wissen er nog steeds, patatzaak Janus is al jaren weg. Ik schrok op van het startschot dat echode in de verte. Niet veel later sloeg het peloton de Paradijslaan in en kwamen de coureurs in volle vaart voorbij de Rakstraat, de Schuttersstraat en de Rusthofstraat waar tante Annie en ome Ger woonden. Ik keek tussen de dranghekken en de grotemensenbenen door. Met een noodgang kwam het peloton voorbij om richting de Boezemlaan te rijden, waar bus 38 eindigt of begint, het is maar net van welke kant je het bekijkt. De sinassplit was inmiddels op en wat over was, was gesmolten op mijn hand.
Vanaf de Spiegelnisserkade kwam Gekke Rinus aanhinken met zijn houten poot. Hij had zijn favoriete stek voor het pishuisje tegenover bejaardentehuis Hoppesteyn verlaten. Altijd stond hij tegenover het bejaardentehuis of hij wilde zeggen: “Wanneer is er plek voor mij?” Het gerucht ging dat zijn houten poot poreus was door de houtwormen. In ieder geval liep ik altijd met een grote boog om hem heen, alsof hij een pitbull was. Rinus had dan wel een paar spaken loszitten maar je moest niet met z´n voeten spelen. Hij spuugde je van vijf meter zo in je podem, als je niet uitkeek.
Daar was het peloton alweer voor de tweede van de vele ronden met Mart van de Toorn voorop.
“He, manke Nelis”, riep Jaap, de man van buurvrouw Jopie.
“Splets!”
Jaap kon nog net bukken. De groene rochel zeilde over hem heen en kwam zo bij renner met rugnummer dertien vol in het gelaat. Deze raakte hierdoor het zicht kwijt en ging onderuit. De eerste valpartij was geboren. De Ronde van Crooswijk stond erom bekend. Rugnummer dertien was Wim van Steenis die hierbij zijn fiets aan gort reed. Later zou Van Steenis zeggen: “Het is te hopen dat Van Gorp, mijn baas, zijn belofte nakomt en voor een nieuwe fiets zorgt.“ Zoals gezegd, we hebben het hier over de jaren zeventig en niet over een aflevering “Spuiten en slikken in de Tour de France”. Maar de tour wacht op niemand en ook de Ronde van Crooswijk wachtte niet. Van Steenis treurde geen seconde en gooide een toevallige passante van haar damesfiets om met een teringgang over de Paradijslaan hup naar de Boezemlaan te rijden waar tante Bep en ome Theo destijds nog woonden. Die zijn pas nog bijna dakloos geworden, omdat een bouwbedrijf alle huizen op de Boezemlaan heeft platgegooid. De gemeente heeft de buurt namelijk geprostitueerd aan geile projectontwikkelaars die niet toevalligerwijs rijden in Rovers en tegen woekerprijzen appartementencomplexen neerplanten in de oude volksbuurt. Maar goed ik dwaal af en dat is niet handig met wielrennen, voor je het weet ben je het peloton kwijt en rijd je in je uppie door het Kralingse homobos.
De coureurs waren bezig met ronde vier en valpartij nummer twee. Dokter De Jong was net bezig de hoofdwond van Jouvenaars zonder verdoving te hechten. Naast hem stond dokter De Neeve de gebroken arm van Den Hartigh te spalken. De huisartsen De Jong en De Neeve, beiden wielerliefhebbers, hadden hun huisartsenpraktijk aan de Paradijslaan. De wachttijd was altijd zo lang dat de kwaal al genezen was, voordat de patiënt werd binnengeroepen. Alleen als de zieke dan nog meer dan tweeënveertig graden koorts had, kreeg hij penicilline voorgeschreven. Van EPO had toen nog niemand gehoord.
“Hup”, zei De Jong terwijl hij Jouvenaars enkele meters vooruit duwde. Daar kwam trammelant van. Niet omdat Jouvenaars een duwtje in de rug kreeg maar omdat hij door duizeligheid spookreed.
Snel liep ik naar de overkant, zoals ik later zo vaak zou doen om via de 1e Reserveboezemstraat naar de Adama van Scheltemaschool te gaan. Aan de overkant zag ik in een flits de coureurs voorbijkomen. De gebroeders Fleetwood uit Engeland – verre familie van de muzikant Mick Fleetwood, oprichter van Fleetwood Mac – kwamen voorbij. De avond ervoor hadden de Britten nog aan de bar van café Eden oude evergreens van Tom Jones Engelbert en Humperdinck zitten zingen: “Les Bicyclettes De Belsize” en “Green green grass of home”. Strontlazarus hadden de broers overnacht op het biljart in het café. Tja, dat was de doping van de jaren zeventig: een pils. De volgende dag stonden ze, nou ja hingen ze met een kater over hun stuur, gewoon aan de start. Echte mannen waren het in de jaren zeventig; ijzeren fietsen en mannen van staal.
Het peloton ging verder langs Begraafplaats Crooswijk; de dood of de gladiolen. Het was ronde nummer negen, om tureluurs van te worden. René de Boer reed lek in een stuk glas, omdat Cees in een dronken bui zijn flesje Skol over de weg had gekeild. De Boer wanhoopte echter niet, plakte stante pede de band en reed weer door om aansluiting te zoeken bij de rest van het peloton. Ron Buitelaar van de gelijknamige kapperszaak op de Rusthoflaan vond dit niet kunnen en sprak Cees, in het dagelijks leven verhuizer bij Jan Schut, erop aan. Daarvan was Cees weer niet gediend, getuige zijn “Houd je pleurismuil” en zo onstond er de jaarlijkse vechtpartij. Vechten deed men toen nog met blote handen. Eerlijker kon niet, want zo was de Crooswijker: een grote muil maar een hart van goud en een goede rechtse directe. Behalve wielrennen was boksen namelijk ook populair in Crooswijk. Ik noem Bep van Klaveren en Herman van ´t Hof. Soms ging het er zo hevig aan toe, dat de renners afstapten om naar de vechtpartij te kijken. De toeschouwers kregen het er allemaal gratis bij, en de koers zelf was ook al geheel kosteloos. Commercie, het stond allemaal nog in de kinderschoenen. Na een paar rake klappen links en rechts was de ruzie tussen de verhuizer en de kapper weer voorbij. Ze schudden elkaar de hand en Cees trakteerde Ron op een flesje Skol.
“Proost!” sliste Ron.
In de tussentijd was er een kopgroep van tien ontstaan met onder meer Arie Versluis, Wim van Steenis en de broertjes Fleetwood. Al snel slaagden ze erin het peloton te dubbelen. De finale ging nu echt beginnen. Bijna honderd kilometer Crooswijk hadden ze erop zitten. Legendes waren hier geboren; Corry van Gorp, Rita Reys, Jaap Valkhoff, Jan Boskamp enzovoorts enzoverder. Legendarische straten hadden de renners gepasseerd. Ook Pim Bosch, die eigenlijk Wim heette maar door iedereen Pim werd genoemd en ook wel bekend stond als de Jan Raas van de amateurs, zat in de kopgroep. Pim Bosch uit Gorkum had een goede sprint in de benen. Piet Franken en Jos Kieftenburg, de strategen in het gezelschap, wisten dat ook en probeerden de finale niet in een sprint te laten eindigen. Wie niet snel is, moet slim zijn, dacht Kieftenburg. Om de beurt probeerden de twee van hem weg te rijden maar steeds weer reageerde de frêle Gorkumer attent. De benen van de broertjes Fleetwood verzuurden en haakten af. Zo ging het trio de laatste ronde in. Het was aftasten en omkijken geblazen. Ten slotte sloeg Pim Bosch genadeloos toe in de eindsprint, zoals hij eerder dat seizoen in Raamsdonksveer in de semi-klassieker “De Kersenronde” deed. Ruim voor de eindstreep op de Rozenlaan reed hij weg van de kopgroep. Franken en Kieftenburg hadden het nakijken. En zo werd Pim Bosch in 1978 de gelukkige winnaar van de dertigste Ronde van Crooswijk. Als beloning kreeg hij een jaar lang gratis doperwten en een natte kus van Rita, de dikke dochter van ome Jan de groenteboer.
Ik ontwaak uit mijn dagdroom. Op 3 juli 2010 start de Tour de France in Rotterdam. De tourkaravaan zal helaas niet door Crooswijk rijden, ze zal niet koersen langs de oevers van de Rotte of de Boezem evenmin over de Crooswijkseweg. Toch zal ik gaan kijken. Denkend aan de Ronde van Crooswijk zal ik op de hoek van de Strevelseweg in afwachting van het peloton een Magnum eten.
1 juli 2010
|
|